|
Testelt
is gelegen op de rechteroever van de Demer, tussen Aarschot en Diest, in
de onmiddelijke buurt van de Witherenabdij van Averbode en het Mariale
bedevaartsoord van Scherpenheuvel.
Het
dorp ligt in het noordoosten van de provincie Brabant, een beetje
scheefgedrukt tussen het vruchtbare Hageland en de zandige, bosrijke
Zuiderkempen. Testelt behoort tot het kanton Diest en het arrondissement
Leuven. Kerkelijk valt het onder de dekenij Averbode en het bisdom
Mechelen-Brussel. Sinds 1 januari 1977 maakt de Testeltse dorpgemeenschap
samen met Averbode, Messelbroek, Zichem, Scherpenheuvel en Kaggevinne-West
deel uit van de fusiegemeente Scherpenheuvel-Zichem.
Zoals
bij andere dorpen in de vallei, heeft de Demer als belangrijke verbindings-
en handelsweg ook hier een vitale rol gespeeld bij het ontstaan van de
dorpsnederzetting en de ontwikkeling van de latere gemeenschap.
De
eerste dorpskern is ontstaan op het snijdingspunt van de rivier met de
oude landweg die de verbinding maakte tussen Kempen en Hageland. Zij kwam
tot stand op de zuidelijke flank van de Voortberg, die in tijden van
overstroming de bewoners meer veiligheid verschafte dan de drassige
Demeroevers.
In
de vroegste tijd was deze heuvel waarschijnlijk regelmatig omgeven door
water, het overstromingsgebied van de nog ongebreidelde rivier. Nu nog
loopt de verbindingsweg naar Messelbroek over een dijk en deze naar
Averbode gaat over Plaatsvondel en de Wildendriesdijk.
De
eerste volksnederzetting in Testelt is ongetwijfeld zeer oud. Wanneer de
naam Testelt in 1147 voor het eerst in de geschiedenis opduikt, in de
schenkingsakte van de Luikse prinsbisschop aan de pas gestichte abdij van
Averbode, dan wordt daarin reeds gewag gemaakt van een Testeltse ecclesia
of parochiegemeenschap. Opvallend is dat de oudste schrijfwijze niet van
de huidige verschilt. Over de etymologische betekenis van de naam bestaan
verscheidene hypothesen. Volgens prof. Carnoy zou hij in verband staan met
het woord distel en dus verwijzen naar een streek die geteisterd
wordt door stekelige, doornige planten. Naast de eerste nederzetting op de
zuiderhelling van de Voortberg kwamen er geleidelijk nieuwe woonkernen tot
stand, meer noordwaarts op de helling van de Kempense heuvels. Zo ontstond
langsheen de verbindingsweg tussen het dorp en de abdij van Averbode een
nieuwe kern, de Voort. Volgens oude geschriften en kaarten was dit gebied
zo laag gelegen dat het voortdurend bedreigd werd door overstromingen in
het najaar. Tegen dit gevaar werd de Wildendriesdijk gebouwd.
Een
derde, belangrijke kern ontwikkelde zich op Ter Hoeve, toen de monniken
van de nabijgelegen abdij van Averbode de plaatselijke heidevlakten en
woeste gronden begonnen te ontginnen. Het gehucht werd trouwens genoemd
naar de drie grote abdijhoeven die hier reeds vroeg in de geschiedenis tot
stand kwamen. Zo is er in 1431 al sprake van de Grote Hoeve, in
1435 van de Pannehoeff oft cleynhoeff en in 1614 van de Peyshoeve.
Naar ontginningen van de woeste gronden verwijst ook de naam van het
gehucht Rode, een andere woonkern langs de weg naar Langdorp. De Hanenberg
tenslotte groeide rond de plaats aen de bergh waar scheepstrekkers
van Testelt deze van Aarschot aflosten.
Al
deze woonkernen zijn thans door lintbebouwing met elkaar verbonden en
vormen een karakteristiek voorbeeld van verspreide bewoning. Testelt is
een typisch Kempens gehuchtendorp: de huizen liggen er meestal in
verspreide orde, enig rond de kerk, vele langs de voornaamste wegen,
sommige temidden van de velden.
De
totale oppervlakte van het grondgebied bedraagt 600 ha. Tot 1928, toen
Averbode nog gedeeltelijk bij Testelt behoorde, was het 1.093 ha groot.
Op
wereldlijk vlak hoorde Testelt eertijds toe aan twee heren. Enerzijds was
er de abdij van Averbode die als belangrijkste grondheer ook haar stempel
drukte op het administratieve en financiële beheer van het dorp.
Anderzijds behoorde het dorp tot het land van Aarschot, dat sedert 1533
met de baronieën Bierbeek, Rotselaar en Heverlee een hertogdom vormde. De
bewoners van Testelt leefden er achtereenvolgens onder het bewind van de
graven van Aarschot, de hertogen van Brabant, die van 1284 tot 1302 de
titel van heren van Aarschot voerden en van de families Harcourt tot 1455,
Croy tot 1612 en Arenberg tot aan de Franse Revolutie.
Het
schepenambt bestond al sinds 1260, toen de schepenen werden aangesteld
door de hertogen van Brabant met de heer van Ijsse, de schepenen van
Aarschot en de abt van Averbode. Belangrijk waren de privileges van de
hertog van Aarschot. Alle onderdanen moesten hem bij zijn blijde intrede
in het dorp de eed van trouw zweren. Hij had recht op velerlei soorten
belastingen, op het brouwen van bier, op het vinden van bijenzwermen, op
het spannen van netten en het vangen van vogels, op het houden van duiven
enz...
Als
er een bastaard stierf, had hij het recht op het beste deel van zijn bezit,
het zogenaamde beste kateil. Aan de Eik in Averbode lag de grens tussen
het land van Luik en van Brabant. Hier had de hertog het recht tol te
ontvangen op de waren die ingevoerd werden.
Geen
wonder dat het gewone volk zwaar gebukt ging onder al deze plichten en
lasten. Daar kwam nog bij dat de streek vanaf de 15de eeuw regelmatig
geteisterd werd door legerbenden van alle slag, die de dorpen afjoegen,
plunderden en verwoesten.
Vooral
op het einde van de 16de eeuw vierde het oorlogsgeweld hoogtij. Testelt en
andere dorpen in de buurt verdedigden zich met schansen. Er werden er twee
opgericht: de ene in het dorp, niet ver van de kerk, in de huidige
Stationsstraat, de andere in de Kattestraat. Deze laatste was als een
echte versterking opgetrokken, met een brede gracht en zelfs een tiental
woningen. Onder Albrecht en Isabella keerde de rust weer. Na het 12-jarige
bestand werd onder de kardinaal-infant Ferdinand de streek echter opnieuw
onveilig en worden Testelt en de omliggende dorpen andermaal door
plundertochten geteisterd. In de daaropvolgende periode wordt het niet
beter. Pas na 1830 keert de vrede terug, die in onze eeuw verstoord wordt
door de twee wereldoorlogen. Tijdens de 1 ste wereldoorlog sneuvelden 6
Testelste burgers en 8 soldaten. De oorlog 1940-1945 eiste 2 slachtoffers.
In
1910 was het aantal inwoners opgelopen tot 1.380 en in 1928, vlak vóór de
afscheiding van Averbode, tot 1.947. Na de scheiding viel dit cijfer terug
op 1.403.
Op
het economisch vlak onderging Testelt eertijds vooral de invloed van
Aarschot en Diest. De inwoners deden er hun aankopen en vonden er een
afzetgebied voor hun produkten. Er was uiteraard ook de diepgaande invloed
van de abdij van Averbode, die onder meer een belangrijke rol heeft
gespeeld in de landbouwontginning van onze gewesten. Zij bezat hier een
viertal grote hoeven en de watermolens op de Demer.
Naast
de landbouw en veeteelt werd er te Testelt vóór de Franse Revolutie ook
intensief aan wijnbouw gedaan op de zuidelijke flanken van de
Voortberg.
Deze heuvel werd daarom vroeger ook wel Wijnberg genoemd.
De
wijnteelt geraakte in de 16de en 17de eeuw in verval, vooral ten gevolge
van de oorlogsomstandigheden en de daarmee gepaard gaande hongersnood en
epidemieën.
In
de 18de eeuw ging de wijnbouw fel acheruit en met de Franse overheersing,
verdwijnt hij volledig.
Vermelden
we tenslotte ook nog de bedrijvigheid van de scheepvaart op de Demer.
Vooral in de 16de eeuw nam het vervoer op de Demer aanzienlijk toe.
Dagelijks trof men er schepen aan die haring of zout, lakens van Diest of
Zoutleeuw of bouwmaterialen voor de plaatselijke kerken vervoerden. In de
16de eeuw werd het scheepstrekkersambacht opgericht; de scheepstrekkers
van Testelt en Messelbroek namen de lijnen over van de trekkersgezellen
van Aarschot aan de Hanenberg en trokken de schepen tot aan de sluis van
Zichem. Nog in de 19de eeuw voeren tot bijna 200 schepen per jaar over de
Demer.
De
achteruitgang en het verdwijnen van de scheepvaart is te zoeken in de
aanleg van de spoorlijn Leuven-Hasselt en de verbetering van de
verkeerswegen en de mechanisering van de vervoermidelen. In de 19de eeuw
en het begin van de 20ste eeuw bleven landbouw en veeteelt de
belangrijkste bronnen van inkomsten voor het gros van de bevolking. Toch
is ook Testelt niet ontsnapt aan de algemene evolutie en het
landbouwkarakter van het dorp ging geleidelijk aan teloor. Mede als gevolg
daarvan werd Testelt in het begin van deze eeuw vooral een gemeente van
mijnwerkers en seizoenarbeiders. De krisis in de steenkoolnijverheid en de
mechanisering in de bietenoogst maakten echter ook een einde aan de
tewerkstelling in deze takken. Het grootste deel van de bevolking zit
thans in de secundaire en tertaire sektor. Velen zijn werkzaam in het
bouwbedrijf, dikwijls als ongeschoolde arbeider. Talrijk zijn ook de
bedienden die dagelijks naar Brussel, Antwerpen of Hasselt rijden, waarbij
de spoorlijn Leuven-Hasselt uiteraard een belangrijke rol speelt.
|