|
Keiberg
is, zoals Okselaar een gehucht van Zichem. De naam: "Coubergh"
is reeds vermeld op de kaart van Brabant van Jacob Van Deventer uit 1536.
Op de kaart van Brabant door Eugène Henri Fricx in 1706 zijn geen wegen
aangebracht. De kaart Departement de la Dyle uit de Franse periode geeft een
vertrouwd beeld. Hier zijn de steenwegen duidelijk afgebeeld. Van 1771 - 1778
werd door graaf de Ferraris een kabinetskaart opgesteld. Hierop stellen we het
volgende vast: ten zuiden van de basiliek van Scherpenheuvel, in Kaggevinne en
in Schoonderbuken werden de gebieden vooral ingenomen door de bossen. Keiberg en
Messelbroek waren voor het grootste deel land-bouwgronden en bosgebied. Op deze
kaart van Graaf de Ferraris staan er te Keiberg een twintigtal woningen. Het
gebied tussen Sichem en Scherpenheuvel was volledig in gebruik door landbouwers.
De Demervallei was één grote moerassige weide. Ten noorden van de Voortberg
had Testelt ook nog moerassige weiden. De abdij van Averbode was omringd door
bossen. De overige percelen in Averbode en Okselaar waren akkerbouw. Coubergh,
Kaberg, Keybergh, Keiberg en Kaaibeirg een gehucht van
Zichem: Keiberg was en is een landelijke, eenvoudige, vredig leef- en
woongemeenschap.
Zich
verplaatsen was zeer moeilijk. Er waren geen steenwegen, alleen zandwegen, met
kruiwagen- of karrensporen die in de winter werden omgetoverd in modderpoelen. Er
waren nog kleine veldwegen. Hierlangs kon men elkaar te voet sneller bereiken.
Deze wegen werden ook kerkwegen genoemd. Eenmaal per jaar, namelijk de drie
dagen voor O.-H.-Hemelvaart, ging men al biddend en zingend in processie langs
deze wegen om de zegen af te smeken over de veldgewassen. Die wegen zijn in
onbruik geraakt, sommige bestaan zelfs niet meer doordat de aanpalende eigenaars
naar eigen mening deze hebben tenietgedaan.
Keiberg
is rijk aan bronnen. De plaatsen waar de bron aanwezig is, kan men goed
herkennen. In de omgeving van deze bronnen ziet men water zijn weg zoeken om te
ontsnappen. Er is een bron in de Ijsbergstraat. Vroeger was daar de weg altijd
nat van weglopend water. Nu komt het in afvoerbuizen van de weg. Mensen zochten
een woonplaats in de omgeving van deze bronnen, en waar er geen
overstromingsgevaar bestond. Water was een noodzaak om te overleven. Zo was er
aan elke woning een uitgegraven kuil, van water voorzien, dat vooral werd
gebruikt als drinkwater voor het vee.
|