|
Okselaar
is een gehucht van Zichem, nu deelgemeente van Scherpenheuvel-Zichem sinds 1977.
Het is gelegen in de uiterste N.O.-hoek van de provincie Vlaams-Brabant en vormt
zo de grens met de provincie Limburg (gemeente Tessenderlo). In het zuiden
grenst het aan de Brabantse gemeente Diest, in het westen aan een andere
deelgemeente van Scherpenheuvel-Zichem (Averbode).
Het
grootste deel van Okselaar is topografisch laag gelegen (13-20 m boven de
zeespiegel) en heeft te lijden van wateroverlast in het natte seizoen.
Hydrologisch wordt Okselaar beheerst door de Uilenkoploop. Deze beek staat in
verbinding met de vallei van de Demer, via de Zwarte Beek en de
Hulpe.
Vanwaar
de naam Okselaar? De oudst gekende schrijfwijze is Osclarum.
Deze dateert uit 1115. Volgen dan Osclare-Osclara in
1122, Oscslera in 1130 en Oxslare in 1208.
Waarschijnlijk slaan al deze benamingen op het Oxelaer, een kleine gemeente in
Noord-Frankrijk. De Feraris-kaart uit 1778 vermeldt Groot- en Klijn Oxselaer,
en op de parochiekaart van Averbode (1803) lezen we Oxelaer, een schrijfwijze
die in de 17de en 18de eeuw gebruikt werd in de rekeningboeken van de abdij van
Averbode als er sprake is van Oxelaer onder Loo en Oxelaer onder Sichem.
We zijn dan niet ver af van de moderne schrijfwijze Okselaar. De x werd
vervangen door ks en ae door aa. Dit volgens de regels vastgelegd door de
Vlaamse afdeling van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie in
1929 (Staatsblad van 21 juni 1929).
Landbouwgrond
was onmisbaar in het begin van de twintigste eeuw. Veel mensen van Okselaar
bewerkten een stuk grond en hielden één tot twee koeien. Alles wat ze wonnen
was bestemd voor het onderhoud van het gezin; op de arme zandgronden was er geen
plaats voor grote bedrijven. Het was hard labeur en armoe lijden.
Na
de Tweede Wereldoorlog kwam er een grondige kentering in de sociaal-economische
toestand van Okselaar. De trend ingezet in de jaren dertig zette zich door: het
agrarische Okselaar verdween. Het waren uitzonderingen die na 1950 er nog een
koe of een varken op nahielden. Iedereen had werk gevonden buitenshuis, als
drukker in de abdij van Averbode, als travauxman op een bouwwerf, in een fabriek
of atelier. Met de terugval van de landbouw en veeteelt was veel landbouwgrond
vrijgekomen. Waar de gewestplannen het toelieten werd deze grond bouwgrond. Na
1960, in de gouden jaren, was het voor een Okselarenaar mogelijk zich een stuk
bouwgrond aan te schaffen. De woningbouw ging snel de hoogte in. Okselaar kreeg
zo de allure van een dorp met een eigen identiteit en alle andere
"eigenheden". Het stadium van "gehucht van Zichem" had het
al lang achter zich gelaten.
|